Veelgestelde vragen
Op deze pagina wordt antwoord gegeven op vragen over het project InnovatieImpuls Onderwijs. Heeft u ook een vraag en vindt u hieronder geen antwoord? Mail naar info@innovatieimpulsonderwijs.nl.
Disclaimer
We doen ons uiterste best om alle vragen zo accuraat mogelijk te beantwoorden. Ondanks dat kunnen aan de antwoorden geen rechten worden ontleend.
Algemeen
Let op: Correctie tegemoetkoming 
Het Agentschap NL heeft eind juni 2010 een brief aan de experimentscholen gestuurd naar aanleiding van hun inschrijving. In de brief staat dat de school altijd een tegemoetkoming voor het ontwikkelen van het projectplan zal ontvangen ook als dit plan wordt afgekeurd. Of u in dat geval een tegemoetkoming zult ontvangen is echter aan de Minister. Conform artikel 9 lid 2 van de regeling besluit de Minister over de subsidieaanvraag.
Waar gaat het om bij de InnovatieImpuls Onderwijs? 
De InnovatieImpuls Onderwijs is een traject waarbij scholen zelf innovatieve maatregelen uitdenken om de uitdagingen van het dreigende lerarentekort aan te kunnen. Uitgangspunt van de innovaties is dat met minder leraren dezelfde of een betere onderwijskwaliteit in het primair en/of voortgezet onderwijs wordt gerealiseerd, terwijl de (ervaren) werkdruk niet stijgt. Meer informatie vindt u hier.
Kan ik me nog aanmelden voor het ontwikkelen van een innovatieconcept? 
Nee, dat kan niet meer. Op 8 april 2010 is bekend gemaakt welke Innovatieconcepten door de jury zijn uitgekozen als het meest kansrijk. Op één van deze innovatieconcepten konden scholen zich, van 8 tot 30 april, inschrijven. De groep scholen die nu een projectplan mag gaan uitwerken is ingeperkt door middel van een loting. Als uw school een projectplan gaat uitwerken, werkt u het gekozen innovatieconcept uit voor uw eigen school. In het projectplan geeft u aan op welke manier u denkt het betreffende innovatieconcept op uw school te implementeren en welke middelen u daarvoor nodig heeft. Dit projectplan dient u vervolgens uiterlijk 1 oktober in, waarmee u subsidie aanvraagt voor de daadwerkelijke implementatie van de innovatieve maatregelen. De criteria waar het projectplan aan moet voldoen om in aanmerking te komen voor subsidie staan in de regeling.
Wat is de rol van de penvoerder? Welke verantwoordelijkheid draagt hij? 
De penvoerder is contactpersoon voor het projectteam IIO. De penvoerder moet een onderwijsinstelling zijn. Degene die namens de penvoerder heeft getekent dient tekenbevoegd te zijn.
Hoe lang mag implementatie van de innovatie duren? 
De loopduur van de regeling voor de InnovatieImpuls is tot 1 januari 2015. Sommige innovaties zullen makkelijk te implementeren zijn, leveren snel resultaat en de effecten zullen dus snel gemeten kunnen worden. Andere, complexere innovaties zullen langer duren om te implementeren, en ook om effecten te genereren. Het subsidiegeld moet in ieder geval voor 1 januari 2015 zijn besteed en de laatste metingen zullen in 2014 plaatsvinden.
Inschrijving & Criteria
Ik wil mij inschrijven op een winnend innovatieconcept. Kan dat? 
Ik wil mij inschrijven op een winnend innovatieconcept. Kan dat?
Nee, dat kan niet meer. Op 8 april 2010 is bekend gemaakt welke Innovatieconcepten door de jury zijn uitgekozen als het meest kansrijk. Op één van deze innovatieconcepten konden scholen zich, van 8 tot 30 april, inschrijven. De groep scholen die nu een projectplan mag gaan uitwerken is ingeperkt door middel van een loting. Als uw school een projectplan gaat uitwerken, werkt u het gekozen innovatieconcept uit voor uw eigen school. In het projectplan geeft u aan op welke manier u denkt het betreffende innovatieconcept op uw school te implementeren en welke middelen u daarvoor nodig heeft. Dit projectplan dient u vervolgens uiterlijk 1 oktober in, waarmee u subsidie aanvraagt voor de daadwerkelijke implementatie van de innovatieve maatregelen. De criteria waar het projectplan aan moet voldoen om in aanmerking te komen voor subsidie staan in de regeling.
Ondersteuning & Subsidie
Krijgen controlescholen automatisch €10.000 overgemaakt? 
Krijgen scholen die in de controlegroep worden ingeloot automatisch €10.000 overgemaakt of moeten zij die aanvragen?
De vaststelling van subsidie voor deelname aan de effectmeting wordt ambtshalve vastgesteld indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
Het bevoegd gezag verklaart akkoord te gaan met deelname aan de effectmeting door het bewijs van toewijzing aan de controlegroep ondertekend te retourneren aan Agentschap NL. Daarbij dient het ondertekende bewijs van toewijzing aan de controlegroep uiterlijk op 15 juni 2010 ontvangen te zijn door Agentschap NL.
Krijgen scholen uit de experimentgroep automatisch €9000 overgemaakt? 
Krijgen scholen die in de experimentgroep worden ingeloot automatisch €9000 overgemaakt of moeten zij die aanvragen?
Met de aanvraag van subsidie voor de uitvoering van een projectplan vraagt het bevoegd gezag tegelijkertijd subsidie aan voor de ontwikkeling van een projectplan. Dit betekent dus dat de kosten voor het schrijven van een projectplan dienen te worden voorgefinancierd.
Welke ondersteuning krijg ik bij het ontwikkelen van een projectplan? 
De subsidie voor ontwikkeling van de projectplannen is gesteld op een vast bedrag van € 9.000,- . Voor dit bedrag kan de school worden ondersteund door een externe adviseur (bijvoorbeeld één van de zogenaamde kritische vrienden die de scholen ook bij de ontwikkeling van de innovatieconcepten hebben ondersteund). De school kan dit bedrag echter ook gebruiken voor het financieren van andere activiteiten en/of personele inzet voor de ontwikkeling van een projectplan.
In welke fase van het project komt de subsidie in beeld? 
Er wordt op dit moment een regeling opgesteld waarin de subsidie wordt geformaliseerd. De regeling wordt in maart gepubliceerd. In de regeling worden drie subsidiestromen onderscheiden:
- Voor de ontwikkeling van een projectplan door scholen
Deze subsidiestroom is bedoeld voor scholen die in de periode 15 mei – 1 oktober 2010 de door hen gekozen innovatieconcepten uitwerken in projectplannen. De subsidie is bedoeld voor een bepaald aantal uren ondersteuning door een kritische vriend.
- Voor de uitvoering van een projectplan door scholen
Deze subsidiestroom is bedoeld voor de scholen aan wie, na het indienen van het projectplan op 1 oktober, subsidie is toegekend voor de implementatie, uitvoering en evaluatie van de innovatieconcepten. De subsidie is bedoeld als compensatie voor de kosten die een school maakt om de innovatieve maatregelen uit een innovatieconcept te implementeren, daarmee te experimenteren en dit uiteindelijk te evalueren. Scholen die de innovatieve maatregelen al eerder hebben geïmplementeerd en geen extra dingen meer kunnen doen binnen het kader van het innovatieconcept komen op grond van deze regeling dus niet voor subsidie in aanmerking. De subsidie mag worden besteed over de gehele looptijd van de InnovatieImpuls Onderwijs, dus uiterlijk tot 1 januari 2015. De implementatie, uitvoering en evaluatie (effectmeting) van de innovatie duurt zo lang als nodig. Dit moet blijken uit de planning die bij het innovatieconcept en het projectplan zijn bijgevoegd.
- Voor deelname aan de effectmeting door scholen in de controlegroep
Onderzoek naar ‘wat werkt’ (effectmeting) is een belangrijk onderdeel van de InnovatieImpuls. In die gevallen waar voor de effectmeting een controlegroep benodigd is, krijgen scholen die in deze controlegroep terechtkomen een financiële tegemoetkoming voor de onderzoekslast.
Onderzoek
Wat mag een controleschool wel en niet? 
Controlescholen gaan door op de weg waarop ze bezig waren. Ze mogen 'hun gang gaan', als ze maar niet exact het concept invoeren waarvoor ze controlegroep zijn (waarvoor ze zich dus hebben ingeschreven). Als ze al een innovatie uitvoeren (of uitgevoerd hebben) die wel erg op het concept lijkt, dan mogen ze hier gewoon mee doorgaan, dit geldt als 'business as usual'. Er mag alleen op het gebied van de betreffende innovatie niet worden samengewerkt tussen controlescholen en experimentscholen.
Zijn er voor ieder concept controlescholen nodig? 
Nee. Voor alle 4 vo-concepten is het mogelijk om een cross-over vergelijking te maken. Dat wil zeggen dat binnen de experimentgroep de effectmeting kan plaatsvinden, dus er is geen controlegroep nodig. De (strenge) voorwaarde die hier aan is verbonden is dat de ene helft van de experimentgroep het concept toepast op een ander vak dan de andere helft. Op deze manier zijn de 2 helften elkaars controlegroep. (De ene school ontwikkelt bijvoorbeeld digitale lessen/videolessen/filmpjes alleen voor wiskunde D en de andere school doet dat alleen voor NLT of informatica). Het voordeel van deze oplossing is dat er niet geloot hoeft te worden en alle scholen (tot het maximum aantal) sowieso mee kunnen doen (waardoor het mogelijk blijft om samenwerkingsverbanden te sluiten zonder dat een deel van buiten de experimentgroep valt). Voorwaarde is dat ze als controleschool fungeren voor andere vakken. De verdeling van experiment- en controlevakken over de deelnemende scholen dient in overleg tussen de scholen te worden bepaald.
Bovenstaande geldt alleen voor de innovatieprojecten: Videolessen (Benno Hams); Leerlingen voor Leerlingen (Rola Hulsbergen); E-klas en PAL-student (Stan Poppe/Cor de Beurs) en Onderwijsteams (Roel Fleurke). Het geldt niet voor het concept Slim Fit (Ed Booms), omdat deze schoolbreed wordt ingevoerd.
Wat moet een school doen als zij in de controlegroep zit? 
Als een school in de controlegroep zit, gaat zij op eigen houtje verder.
Als een school alleen controleschool is, gaat zij over tot de orde van de dag. De school krijgt geen geld voor het uitvoeren van een innovatieconcept, en doet niet mee met de activiteiten die in het kader van de (door) ontwikkeling van het innovatieconcept georganiseerd worden. Zij krijgt wel € 10.000 als vergoeding voor medewerking aan het onderzoek.
Waarom zijn er controlescholen nodig? 
Alleen met controlescholen kunnen effecten van het experiment worden bepaald. Zonder controlescholen weten we niet of ontwikkelingen in de arbeidsproductiviteit, onderwijskwaliteit en werkdruk (volledig) kunnen worden toegeschreven aan het innovatieconcept of (deels) het resultaat zijn van andere (autonome) ontwikkelingen. De controlescholen laten zien hoe die (autonome) ontwikkelingen zijn zonder de implementatie van het innovatieconcept.
Alleen bij het concept Slim Fit is sprake van scholen die enkel de functie van controleschool hebben. Voor de andere vier concepten wordt een 'cross-over design' toegepast. In dit design zijn de deelnemende scholen tegelijkertijd experimentschool én controleschool. Zie ook de vraag 'Zijn er voor ieder concept controlescholen nodig?'
Mogen scholen zelf de onderzoeksperiode bepalen, inclusief nul- en eindmeting? 
De onderzoeksperiode verschilt per concept en blijkt uit het evaluatiedesign dat bij het innovatieconcept is ingediend. De nulmeting zal centraal geschieden, en gebeurt zo vroeg mogelijk na inschrijving van scholen op de innovatieconcepten. De tussenmetingen en eindmeting kunnen per innovatieconcept verschillen en worden beschreven in het evaluatiedesign.
Wordt het onderzoek niet erg ingeperkt door de 3 criteria waar het zich op richt? 
Ik heb het idee dat het onderzoek naar effecten heel erg wordt ingeperkt als er alleen naar arbeidsproductiviteit, onderwijskwaliteit en werkdruk wordt gekeken? Kan het niet uitgebreider?
In deze fase van de InnovatieImpuls gaat het er om innovatieconcepten te ontwikkelen die opschaalbaar zijn, met andere woorden, die ook door andere scholen kunnen worden ingevoerd. Belangrijk bij de InnovatieImpuls is dat de effecten van de innovaties kunnen worden gemeten. In eerste instantie zijn we daarbij geïnteresseerd in de effecten op het gebied van arbeidsproductiviteit, daar draait de InnovatieImpuls immers om, en in de effecten op de werkdruk en de onderwijskwaliteit. We willen immers kunnen vaststellen of verhoging van de arbeidsproductiviteit niet leidt tot verhoging van de werkdruk en/of verlaging van de kwaliteit. Omdat we de effecten op verschillende scholen en van verschillende concepten met elkaar willen kunnen vergelijken, proberen de onderzoekers in deze conceptfase dus zoveel mogelijk generieke indicatoren en meetinstrumenten in de evaluatiedesigns te verwerken.
Uiteraard zijn scholen in de volgende fase, bij het uitwerken van een projectplan specifiek voor de eigen school en uiteindelijk tijdens de implementatie van de maatregelen, vrij om onderzoek te doen naar veel meer onderwerpen. Hiervoor kunnen echter geen kosten worden opgenomen in de begroting, omdat deze aspecten buiten de onderzoeksscope van de InnovatieImpuls vallen.
Verder is het goed om te melden dat OCW tevens van plan is om bij scholen die een winnend concept implementeren aanvullend onderzoek te doen, naast de ‘harde’ effectmeting. Dit onderzoek zou veel meer gericht zijn op monitoring van het proces van implementatie van de maatregelen, om ook daarvan te leren. Zo krijgen we uiteindelijk niet alleen inzicht in wat werkt, maar ook onder welke voorwaarden het werkt.