Hoofdpunten regeling InnovatieImpuls Onderwijs

Hieronder worden een aantal hoofdpunten uit de subsidieregeling InnovatieImpuls Onderwijs beschreven en toegelicht. Deze regeling is begin april gepubliceerd. De hoofdpunten die in dit hieronder worden genoemd komen uit de regeling. Rechts op deze pagina kunt u ook de volledige versie van de regeling downloaden. We proberen iedereen hiermee zo goed mogelijk te informeren over wat eruiteindelijk in de regeling staat, maar rechten kunnen niet worden ontleend aan dit hoofdpunten.
 
1. Welke scholen komen in aanmerking voor subsidie?  
 
De subsidieregeling is voor basisscholen, speciaal onderwijs voor basisonderwijs en scholen voor voortgezet onderwijs bekostigd door de overheid.
 
2. Welke activiteiten worden gesubsidieerd en wat is de looptijd?
 
Er zijn drie verschillende subsidiestromen in de regeling opgenomen:

  1. Voor de ontwikkeling van een projectplan
    Deze subsidie is bedoeld voor experimentscholen die in de periode 15 mei – 1 oktober 2010 de innovatieconcepten uitwerken in projectplannen. Deze subsidie is bedoeld voor ondersteuning door een kritische vriend.
  2. Voor de uitvoering van een projectplan
    Deze subsidiestroom is bedoeld voor de scholen aan wie, na het indienen van het projectplan op 1 oktober, subsidie is toegekend voor de implementatie, uitvoering en evaluatie van de innovatieconcepten. De subsidie is bedoeld voor de kosten die een school maakt om de innovatieve maatregelen uit een innovatieconcept te implementeren, daarmee te experimenteren en dit uiteindelijk te evalueren. Scholen die de innovatieve maatregelen al eerder hebben geïmplementeerd komen op grond van deze regeling dus niet voor subsidie in aanmerking. De subsidie mag worden besteed over de gehele looptijd van de InnovatieImpuls Onderwijs, dus uiterlijk tot 1 januari 2015. De implementatie, uitvoering en evaluatie (effectmeting) van de innovatie duurt zo lang als nodig. Dit moet blijken uit de planning die bij het innovatieconcept en het projectplan zijn bijgevoegd.
  3. Voor deelname aan de effectmeting door scholen in de controlegroep
    Onderzoek naar ‘wat werkt’ (effectmeting) is een belangrijk onderdeel van de InnovatieImpuls. In die gevallen waar voor de effectmeting een controlegroep benodigd is, krijgen scholen die in deze controlegroep terechtkomen een financiële tegemoetkoming voor de onderzoekslast.

 
3. Hoe hoog zijn de subsidiebedragen?
 
In totaal is op grond van de regeling een bedrag van ongeveer € 18 miljoen beschikbaar voor de periode 2010-2015. Er zijn drie verschillende subsidiestromen. De hoogtes van de verschillende subsidiestromen zijn als volgt:   

  1. Voor de ontwikkeling van een projectplan
    Voor de ontwikkeling van een projectplan kunnen scholen € 9.000 subsidie ontvangen. Het subsidiegeld is gebaseerd op inzet van een kritische vriend voor maximaal 60 uur per projectplan met een tarief van maximaal € 150 per uur inclusief btw. Voor deze subsidiestroom is een subsidieplafond vastgesteld van € 1,8 miljoen (uitgaande van maximaal 200 scholen die een projectplan ontwikkelen).
  2. Voor de uitvoering van een projectplan
    Er kan van te voren niets worden gezegd over de hoogte van de subsidie voor de implementatie van innovatieve maatregelen. Dit zal per innovatieconcept verschillen. Bij elk innovatieconcept dat in februari wordt ingediend wordt een begroting bijgevoegd. Deze begroting moet een realistische begroting zijn waar ook andere scholen op af kunnen gaan als zij zich na 8 april inschrijven op de gepubliceerde innovatieconcepten. Bij het projectplan dat scholen uitwerken in de periode 15 mei – 1 oktober moet ook weer een begroting worden bijgevoegd. Deze begroting moet binnen de financiële kaders van de begroting van het innovatieconcept blijven. De hoogte van het subsidiebedrag voor de uitvoering van een projectplan is dus afhankelijk van de begroting van het gekozen innovatieconcept. Bij overschrijding is het meerdere voor eigen rekening.
  3. Voor deelname aan de effectmeting door scholen in de controlegroep
    Voor deelname aan de effectmeting ontvangen scholen in de controlegroep een financiële tegemoetkoming van € 10.000.  

4. Op welke manier vindt inschrijving en selectie plaats?
 
Inschrijving
 
Op 8 april maakt de minister bekend wat de winnende innovatieconcepten zijn.  
Deze worden gepubliceerd in de Staatscourant en op de website www.innovatieimpulsonderwijs.nl.  
 
De winnende concepten bepalen deels de voorwaarden voor inschrijving. Op een
innovatieconcept voor PO, kunnen bijvoorbeeld alleen PO-scholen inschrijven. Zo zullen er meer voorwaarden worden geformuleerd voor inschrijving op de concepten.
 
Een bevoegd gezag mag meerdere scholen inschrijven op een of meerdere innovatieconcepten, met dien verstande dat een en dezelfde school maar op één innovatieconcept ingeschreven mag worden.  
 
Selectie
 

Als de minister op 8 april de winnende concepten bekend heeft gemaakt, mogen daarna álle geïnteresseerde scholen zich inschrijven om –na het schrijven van een gedegen projectplan– in oktober in aanmerking te komen voor subsidie. De groep scholen die na inschrijving daadwerkelijk een projectplan gaat schrijven voor de implementatie van een bepaald concept, wordt bij voorbaat ingeperkt. Dit heeft twee redenen:

  1. Er is onvoldoende budget om alle geïnteresseerde scholen in oktober subsidie te verstrekken voor de implementatie van de innovatieconcepten en OCW wil zo min mogelijk scholen moeten afwijzen om budgettechnische redenen terwijl er veel werk is gestopt in het uitwerken van een projectplan.  
  2. Onderzoek naar ‘wat werkt’ (effectmeting) is een belangrijk onderdeel van de InnovatieImpuls. Er wordt gestreefd naar zuiver wetenschappelijk effectonderzoek. Bij die innovatieconcepten waar het evaluatiedesign een dergelijke effectmeting bevat, moet de groep scholen die zich inschrijft verdeeld worden over een experimentgroep en een controlegroep.

De inperking van de groep scholen die een projectplan gaat schrijven verloopt als volgt:

  • Bij ieder innovatieconcept zit een evaluatiedesign, waarin staat hoeveel experiment- en controlescholen nodig zijn voor een goede effectmeting. Dit aantal, plus een nog te bepalen marge, is het aantal scholen dat benodigd is voor het onderzoek.  
  • Er zijn drie scenario’s mogelijk: 1) minder inschrijvingen dan benodigd, 2) precies evenveel inschrijvingen als benodigd, 3) meer inschrijvingen dan benodigd:
    • Bij te weinig inschrijvingen kan een goede effectmeting niet worden gegarandeerd en moet worden bekeken of het concept alsnog kan worden doorgevoerd, of dat het wordt geannuleerd.
    • Bij precies voldoende inschrijvingen, vindt er een loting plaats onder de ingeschreven scholen. Een deel van de scholen zal worden ingeloot in de experimentgroep: zij mogen een projectplan schrijven waarmee zij in oktober subsidie aan kunnen vragen.

Het andere deel van de scholen zal worden ingeloot in de controlegroep: zij mogen de innovatie op het gebied van arbeidsproductiviteit gedurende de looptijd van het
experiment niet doorvoeren en hoeven dus ook geen projectplan te schrijven. Zij
worden gedurende de looptijd van de innovatie gevolgd, zodat de verschillen in
arbeidsproductiviteit tussen de experimentscholen en controlescholen kunnen worden gemeten. Voortrekkerscholen van een winnend concept die zich op dat concept inschrijven doen niet mee aan de loting en worden automatisch toegewezen aan de experimentgroep die een projectplan kan gaan uitwerken. Dit aantal voortrekkerscholen dat automatisch wordt doorgelaten is maximaal 8 per winnend innovatieconcept.
o Bij teveel inschrijvingen vindt dezelfde loting plaats als bij precies genoeg
inschrijvingen, met het verschil dat urgentiescholen als eerste worden verdeeld over de experiment- en controlegroep. Urgentiescholen zijn scholen uit het primair of voortgezet die een groot percentage docenten van 55 jaar of ouder in dienst hebben (bij de regeling zal een lijst worden gepubliceerd met urgentiescholen). Pas als deze groep is verdeeld, worden de overige scholen verdeeld over de groepen, waarbij een deel van de scholen dus ook helemaal uitgeloot zal worden; zij komen niet in de experimentgroep en niet in de controlegroep.  
 
Voorkeurspositie van de voortrekkerscholen
 
De voortrekkerscholen, de scholen dus die op dit moment werken aan de ontwikkeling van een innovatieconcept, die een winnend concept hebben ingediend krijgen een bepaalde uitzonderingspositie:  

  1. De voortrekkerscholen die hebben gewerkt aan de ontwikkeling van een winnend innovatieconcept worden vrijgesteld van loting voor verdeling over de experimentele en de controlegroep. Dit geldt voor maximaal 8 voortrekkerscholen per winnend innovatieconcept. Zij worden in mei automatisch toegewezen aan de experimentele groep die een projectplan kan gaan uitwerken. Let wel, dit is nog geen garantie voor het feit dat na oktober ook daadwerkelijk subsidie wordt toegekend. Er moet op 1 oktober eerst een gedegen projectplan worden ingediend, dat net als alle andere projectplannen wordt beoordeeld aan de hand van de criteria uit de regeling die in maart wordt gepubliceerd. De kwaliteit van de projectplannen is leidend in de toekenning van de subsidie.
  2. De groep die een projectplan gaat uitwerken wordt in mei al ingeperkt, zodat er in oktober zo min mogelijk scholen hoeven af te vallen vanwege onvoldoende budget. Mocht er toch nog een selectie moeten plaatsvinden in oktober, dan gaan de voortrekkerscholen van een winnend concept (dezelfde 8 als die eerder automatisch in de experimentgroep terechtkwamen) vóór andere scholen bij de toekenning van subsidie, uiteraard alleen indien zij een projectplan hebben ingediend dat voldoet aan de criteria uit de regeling.  

 
6. Welke eisen worden gesteld aan de subsidieaanvraag voor de daadwerkelijke implementatie, uitvoering en evaluatie van de innovatieve maatregelen die in oktober moet worden ingediend?
 
In de subsidieregeling zijn onderstaande criteria opgenomen:
 
Het bij de aanvraag voor subsidie te voegen projectplan dient te passen binnen de kaders van het gepubliceerde innovatieconcept:  
a. De wijze waarop de resultaten en effecten worden gemeten, dient conform de effectmeting van het innovatieconcept te zijn;  
b. De in het projectplan beschreven innovatieve maatregel dient inhoudelijk overeen te komen met het innovatieconcept;  
c. De (verwachte) effecten van de innovatieve maatregel moeten beschreven worden in termen van hogere arbeidsproductiviteit  (met minder leraren dezelfde of hogere resultaten bereiken)
d. De begrote kosten voor uitvoering van het projectplan dienen binnen de bij het innovatieconcept goedkeurde kosten per school te blijven. Bij overschrijding is het meerdere voor eigen rekening van het bevoegd gezag.
 
Het bij de aanvraag voor subsidie te voegen projectplan dient aan de volgende criteria te voldoen dan wel de volgende onderdelen te bevatten:
a. het plan bevat een gedetailleerde begroting;
b. het plan maakt integraal onderdeel uit van het schoolbeleid;
c. het plan is goedgekeurd door de (PG)MR dan wel wordt aangetoond dat het draagvlak van het plan op een andere manier voldoende is geborgd;
d. een gedetailleerde planning van de projectfasen en van de activiteiten gedurende de gehele looptijd van het project;
e. een beschrijving van de wijze waarop aansturing en coördinatie van het project plaatsvindt;
f. een beschrijving van de wijze waarop eigen personeel wordt ingezet voor projectleiding, projectcoördinatie en projectuitvoering;
g. een beschrijving van de wijze waarop derden worden ingezet alsmede een onderbouwing van de meerwaarde van en de noodzaak tot inhuur van deze derden.
h. een beschrijving van de bij het project betrokken samenwerkingspartners, scholen en besturen;
i. een beschrijving van de wijze waarop de effectmeting plaatsvindt.
 
De projectbegroting dient aan de volgende criteria te voldoen:
a. De projectbegroting sluit één op één aan op de activiteiten van het projectplan;
b. De projectbegroting geeft inzicht in de begrote kosten per kalenderjaar;
c. In de projectbegroting wordt onderscheid gemaakt naar de subsidiabele kostensoorten.
 
7. Welke kosten moeten worden opgenomen in de begroting?

 
De begroting van een winnend innovatieconcept geldt als financieel kader voor de begroting die wordt bijgevoegd bij de schoolspecifieke projectplannen die in de periode 15 mei – 1 oktober worden uitgewerkt. Dat betekent dat de begroting die bij het projectplan wordt bijgevoegd, niet boven het bedrag mag komen dat bij het innovatieconcept is begroot.
 
In de regeling worden verschillende kosten die nodig zijn voor de uitvoering en implementatie van een projectplan subsidiabel gesteld. Deze kunnen dus ook voor de begroting bij de innovatieconcepten worden aangehouden:

  • Tijdelijke personele kosten in verband met projectleiding en procescoördinatie. De vergoeding hiervan vindt plaats op basis van reële uurtarieven inclusief sociale lasten en overhead;   
  • Kosten voor inhuur van derden (deskundigen, adviseurs). Hiervoor geldt eenmaximumtarief van € 150 per uur inclusief BTW;
  • Kosten voor aanschaf of huur van middelen en materialen die direct voor het project noodzakelijk en functioneel zijn. Deze moeten op basis van afschrijving worden begroot, met een termijn van 5 jaar.

Er wordt géén subsidie verleend voor ontwikkelkosten (van bijvoorbeeld educatieve software) of kosten van activiteiten die voorafgaand aan de datum van subsidieverlening of na de looptijd van de subsidie ten behoeve van het project worden gemaakt.

Naar boven

Sitemap