Veelgestelde vragen
Op deze pagina wordt antwoord gegeven op vragen over het project InnovatieImpuls Onderwijs. Heeft u ook een vraag en vindt u hieronder geen antwoord? Mail naar info@innovatieimpulsonderwijs.nl.
Disclaimer
We doen ons uiterste best om alle vragen zo accuraat mogelijk te beantwoorden. Ondanks dat kunnen aan de antwoorden geen rechten worden ontleend.
Let op: Correctie tegemoetkoming 
Het Agentschap NL heeft eind juni 2010 een brief aan de experimentscholen gestuurd naar aanleiding van hun inschrijving. In de brief staat dat de school altijd een tegemoetkoming voor het ontwikkelen van het projectplan zal ontvangen ook als dit plan wordt afgekeurd. Of u in dat geval een tegemoetkoming zult ontvangen is echter aan de Minister. Conform artikel 9 lid 2 van de regeling besluit de Minister over de subsidieaanvraag.
Waar gaat het om bij de InnovatieImpuls Onderwijs? 
De InnovatieImpuls Onderwijs is een traject waarbij scholen zelf innovatieve maatregelen uitdenken om de uitdagingen van het dreigende lerarentekort aan te kunnen. Uitgangspunt van de innovaties is dat met minder leraren dezelfde of een betere onderwijskwaliteit in het primair en/of voortgezet onderwijs wordt gerealiseerd, terwijl de (ervaren) werkdruk niet stijgt. Meer informatie vindt u hier.
Kan ik me nog aanmelden voor het ontwikkelen van een innovatieconcept? 
Nee, dat kan niet meer. Op 8 april 2010 is bekend gemaakt welke Innovatieconcepten door de jury zijn uitgekozen als het meest kansrijk. Op één van deze innovatieconcepten konden scholen zich, van 8 tot 30 april 2010, inschrijven. Inmiddels hebben alle deelnemende scholen een subsidieaanvraag ingediend en zijn de experiment- en controlescholen vastgesteld
Wat is de rol van de penvoerder? Welke verantwoordelijkheid draagt hij? 
De penvoerder is contactpersoon voor het projectteam IIO. De penvoerder moet een onderwijsinstelling zijn. Degene die namens de penvoerder heeft getekend dient tekenbevoegd te zijn.
Hoe lang mag implementatie van de innovatie duren? 
De loopduur van de regeling voor de InnovatieImpuls is tot 1 januari 2015. Sommige innovaties zullen makkelijk te implementeren zijn, leveren snel resultaat en de effecten zullen dus snel gemeten kunnen worden. Andere, complexere innovaties zullen langer duren om te implementeren, en ook om effecten te genereren. Het subsidiegeld moet in ieder geval voor 1 januari 2015 zijn besteed en de laatste metingen zullen in 2014 plaatsvinden.
Welke eisen werden gesteld aan de subsidieaanvraag in oktober 2010? 
Het bij de aanvraag voor subsidie te voegen projectplan dient te passen binnen de kaders van het gepubliceerde innovatieconcept:
a. De wijze waarop de resultaten en effecten worden gemeten, dient conform de effectmeting van het innovatieconcept te zijn;
b. De in het projectplan beschreven innovatieve maatregel dient inhoudelijk overeen te komen met het innovatieconcept;
c. De (verwachte) effecten van de innovatieve maatregel moeten beschreven worden in termen van hogere arbeidsproductiviteit (met minder leraren dezelfde of hogere resultaten bereiken);
d. De begrote kosten voor uitvoering van het projectplan dienen binnen de bij het innovatieconcept goedkeurde kosten per school te blijven. Bij overschrijding is het meerdere voor eigen rekening van het bevoegd gezag.
Het bij de aanvraag voor subsidie te voegen projectplan dient aan de volgende criteria te voldoen dan wel de volgende onderdelen te bevatten:
a. Het plan bevat een gedetailleerde begroting;
b. Het plan maakt integraal onderdeel uit van het schoolbeleid;
c. Het plan is goedgekeurd door de (PG)MR dan wel wordt aangetoond dat het draagvlak van het plan op een andere manier voldoende is geborgd;
d. Een gedetailleerde planning van de projectfasen en van de activiteiten gedurende de gehele looptijd van het project;
e. Een beschrijving van de wijze waarop aansturing en coördinatie van het project plaatsvindt;
f. Een beschrijving van de wijze waarop eigen personeel wordt ingezet voor projectleiding, projectcoördinatie en projectuitvoering;
g. Een beschrijving van de wijze waarop derden worden ingezet alsmede een onderbouwing van de meerwaarde van en de noodzaak tot inhuur van deze derden;
h. Een beschrijving van de bij het project betrokken samenwerkingspartners, scholen en besturen;
i. Een beschrijving van de wijze waarop de effectmeting plaatsvindt.
De projectbegroting dient aan de volgende criteria te voldoen:
a. De projectbegroting sluit één op één aan op de activiteiten van het projectplan;
b. De projectbegroting geeft inzicht in de begrote kosten per kalenderjaar;
c. In de projectbegroting wordt onderscheid gemaakt naar de subsidiabele kostensoorten
Op welke manier vond inschrijving plaats? 
Op 8 april 2010 maakte de minister bekend welke innovatieconcepten het meest kansrijk zijn om de doelen van de InnovatieImpuls te bereiken. Deze zijn gepubliceerd in de Staatscourant en op deze website.
De winnende concepten bepaalden deels de voorwaarden voor inschrijving. Op een innovatieconcept voor PO, kunnen bijvoorbeeld alleen PO-scholen inschrijven. Zo zullen er meer voorwaarden worden geformuleerd voor inschrijving op de concepten.
Een bevoegd gezag kon meerdere scholen inschrijven op een of meerdere innovatieconcepten, met dien verstande dat een en dezelfde school maar op één innovatieconcept ingeschreven kon worden.
Ik wil mij inschrijven op een winnend innovatieconcept. Kan dat? 
Nee, dat kan niet meer. Op 8 april 2010 is bekend gemaakt welke Innovatieconcepten door de jury zijn uitgekozen als het meest kansrijk. Op één van deze innovatieconcepten konden scholen zich, van 8 tot 30 april, inschrijven. De groep scholen die nu een projectplan mag gaan uitwerken is ingeperkt door middel van een loting. Als uw school een projectplan gaat uitwerken, werkt u het gekozen innovatieconcept uit voor uw eigen school. In het projectplan geeft u aan op welke manier u denkt het betreffende innovatieconcept op uw school te implementeren en welke middelen u daarvoor nodig heeft. Dit projectplan dient u vervolgens uiterlijk 1 oktober in, waarmee u subsidie aanvraagt voor de daadwerkelijke implementatie van de innovatieve maatregelen. De criteria waar het projectplan aan moet voldoen om in aanmerking te komen voor subsidie staan in de regeling.
Welke kosten moesten worden opgenomen in de begroting? 
De begroting van een winnend innovatieconcept geldt als financieel kader voor de begroting die wordt bijgevoegd bij de schoolspecifieke projectplannen die in de periode 15 mei – 1 oktober worden uitgewerkt. Dat betekent dat de begroting die bij het projectplan wordt bijgevoegd, niet boven het bedrag mag komen dat bij het innovatieconcept is begroot.
In de regeling worden verschillende kosten die nodig zijn voor de uitvoering en implementatie van een projectplan subsidiabel gesteld. Deze kunnen dus ook voor de begroting bij de innovatieconcepten worden aangehouden:
- Tijdelijke personele kosten in verband met projectleiding en procescoördinatie. De vergoeding hiervan vindt plaats op basis van reële uurtarieven inclusief sociale lasten en overhead;
- Kosten voor inhuur van derden (deskundigen, adviseurs). Hiervoor geldt eenmaximumtarief van € 150 per uur inclusief BTW;
- Kosten voor aanschaf of huur van middelen en materialen die direct voor het project noodzakelijk en functioneel zijn. Deze moeten op basis van afschrijving worden begroot, met een termijn van 5 jaar.
Er wordt géén subsidie verleend voor ontwikkelkosten (van bijvoorbeeld educatieve software) of kosten van activiteiten die voorafgaand aan de datum van subsidieverlening of na de looptijd van de subsidie ten behoeve van het project worden gemaakt.
Krijgen controlescholen automatisch €10.000 overgemaakt? 
De vaststelling van subsidie voor deelname aan de effectmeting wordt ambtshalve vastgesteld indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
Het bevoegd gezag verklaart akkoord te gaan met deelname aan de effectmeting door het bewijs van toewijzing aan de controlegroep ondertekend te retourneren aan Agentschap NL. Daarbij dient het ondertekende bewijs van toewijzing aan de controlegroep uiterlijk op 15 juni 2010 ontvangen te zijn door Agentschap NL.
In welke fase van het project komt de subsidie in beeld? 
In de regeling worden drie subsidiestromen onderscheiden:
- Voor de ontwikkeling van een projectplan door scholen
Deze subsidiestroom is bedoeld voor scholen die in de periode 15 mei – 1 oktober 2010 de door hen gekozen innovatieconcepten uitwerken in projectplannen. De subsidie is bedoeld voor een bepaald aantal uren ondersteuning door een kritische vriend.
- Voor de uitvoering van een projectplan door scholen
Deze subsidiestroom is bedoeld voor de scholen aan wie, na het indienen van het projectplan op 1 oktober, subsidie is toegekend voor de implementatie, uitvoering en evaluatie van de innovatieconcepten. De subsidie is bedoeld als compensatie voor de kosten die een school maakt om de innovatieve maatregelen uit een innovatieconcept te implementeren, daarmee te experimenteren en dit uiteindelijk te evalueren. Scholen die de innovatieve maatregelen al eerder hebben geïmplementeerd en geen extra dingen meer kunnen doen binnen het kader van het innovatieconcept komen op grond van deze regeling dus niet voor subsidie in aanmerking. De subsidie mag worden besteed over de gehele looptijd van de InnovatieImpuls Onderwijs, dus uiterlijk tot 1 januari 2015. De implementatie, uitvoering en evaluatie (effectmeting) van de innovatie duurt zo lang als nodig. Dit moet blijken uit de planning die bij het innovatieconcept en het projectplan zijn bijgevoegd.
- Voor deelname aan de effectmeting door scholen in de controlegroep
Onderzoek naar ‘wat werkt’ (effectmeting) is een belangrijk onderdeel van de InnovatieImpuls. In die gevallen waar voor de effectmeting een controlegroep benodigd is, krijgen scholen die in deze controlegroep terechtkomen een financiële tegemoetkoming voor de onderzoekslast.
Wat mag een controleschool wel en niet? 
Controlescholen gaan door op de weg waarop ze bezig waren. Ze mogen 'hun gang gaan', als ze maar niet exact het concept invoeren waarvoor ze controlegroep zijn (waarvoor ze zich dus hebben ingeschreven). Als ze al een innovatie uitvoeren (of uitgevoerd hebben) die wel erg op het concept lijkt, dan mogen ze hier gewoon mee doorgaan, dit geldt als 'business as usual'. Er mag alleen op het gebied van de betreffende innovatie niet worden samengewerkt tussen controlescholen en experimentscholen.
Zijn er voor ieder concept controlescholen nodig? 
Nee. Voor alle 4 vo-concepten is het mogelijk om een cross-over vergelijking te maken. Dat wil zeggen dat binnen de experimentgroep de effectmeting kan plaatsvinden, dus er is geen controlegroep nodig. De (strenge) voorwaarde die hier aan is verbonden is dat de ene helft van de experimentgroep het concept toepast op een ander vak dan de andere helft. Op deze manier zijn de 2 helften elkaars controlegroep. (De ene school ontwikkelt bijvoorbeeld digitale lessen/videolessen/filmpjes alleen voor wiskunde D en de andere school doet dat alleen voor NLT of informatica). Het voordeel van deze oplossing is dat er niet geloot hoeft te worden en alle scholen (tot het maximum aantal) sowieso mee kunnen doen (waardoor het mogelijk blijft om samenwerkingsverbanden te sluiten zonder dat een deel van buiten de experimentgroep valt). Voorwaarde is dat ze als controleschool fungeren voor andere vakken. De verdeling van experiment- en controlevakken over de deelnemende scholen dient in overleg tussen de scholen te worden bepaald.
Bovenstaande geldt alleen voor de innovatieprojecten: Videolessen (Benno Hams); Leerlingen voor Leerlingen (Rola Hulsbergen); E-klas en PAL-student (Stan Poppe/Cor de Beurs) en Onderwijsteams (Roel Fleurke). Het geldt niet voor het concept Slim Fit (Ed Booms), omdat dit experiment schoolbreed wordt ingevoerd.
Wat moet een school doen als zij in de controlegroep zit? 
Als een school in de controlegroep zit, gaat zij op eigen houtje verder.
Als een school alleen controleschool is, gaat zij over tot de orde van de dag. De school krijgt geen geld voor het uitvoeren van een innovatieconcept, en doet niet mee met de activiteiten die in het kader van de (door) ontwikkeling van het innovatieconcept georganiseerd worden. Zij krijgt wel € 10.000 als vergoeding voor medewerking aan het onderzoek.
Waarom zijn er controlescholen nodig? 
Alleen met controlescholen kunnen effecten van het experiment worden bepaald. Zonder controlescholen weten we niet of ontwikkelingen in de arbeidsproductiviteit, onderwijskwaliteit en werkdruk (volledig) kunnen worden toegeschreven aan het innovatieconcept of (deels) het resultaat zijn van andere (autonome) ontwikkelingen. De controlescholen laten zien hoe die (autonome) ontwikkelingen zijn zonder de implementatie van het innovatieconcept.
Alleen bij het concept Slim Fit is sprake van scholen die enkel de functie van controleschool hebben. Voor de andere vier concepten wordt een 'cross-over design' toegepast. In dit design zijn de deelnemende scholen tegelijkertijd experimentschool én controleschool. Zie ook de vraag 'Zijn er voor ieder concept controlescholen nodig?'
Mogen scholen zelf de onderzoeksperiode bepalen, inclusief nul- en eindmeting? 
De onderzoeksperiode is vastgelegd in het onderzoeksdesign dat bij het innovatieconcept is ingediend. De nulmeting geschiedt centraal in april/mei 2011. De tussenmetingen en eindmeting vinden steeds in mei/juni plaats (vragenlijsten aan schoolleiders, docenten en leerlingen) en de administratieve uitvraag vindt jaarlijks plaats in november. Hier vindt u de de onderzoeksplanning van alle innovatieconcepten.
Wordt het onderzoek niet erg ingeperkt door de 3 criteria waar het zich op richt? 
In deze fase van de InnovatieImpuls gaat het er om innovatieconcepten te ontwikkelen die opschaalbaar zijn, met andere woorden, die ook door andere scholen kunnen worden ingevoerd. Belangrijk bij de InnovatieImpuls is dat de effecten van de innovaties kunnen worden gemeten. In eerste instantie zijn we daarbij geïnteresseerd in de effecten op het gebied van arbeidsproductiviteit, daar draait de InnovatieImpuls immers om, en in de effecten op de werkdruk en de onderwijskwaliteit. We willen immers kunnen vaststellen of verhoging van de arbeidsproductiviteit niet leidt tot verhoging van de werkdruk en/of verlaging van de kwaliteit. Omdat we de effecten op verschillende scholen en van verschillende concepten met elkaar willen kunnen vergelijken, proberen de onderzoekers in deze conceptfase dus zoveel mogelijk generieke indicatoren en meetinstrumenten in de evaluatiedesigns te verwerken.
Verder is het goed om te melden dat, naast de ‘harde’ effectmeting, tevens aanvullend kwalitatief onderzoek plaatsvindt. Dit onderzoek is meer gericht op monitoring van het proces van implementatie van de maatregelen, om ook daarvan te leren. Zo krijgen we uiteindelijk niet alleen inzicht in wat werkt, maar ook onder welke voorwaarden het werkt.
Hoeveel scholen nemen deel aan dit innovatieconcept? 
Op dit concept hebben zich 124 scholen ingeschreven. Na een berekening van de onderzoekers in het resultaat van de effectmeting optimaal als de ingeschreven scholen worden verdeeld over een controlegroep van 40 scholen en een experimentgroep van 67 scholen. Dit betekent dat 17 scholen zijn afgevallen en zij dit innovatieconcept niet met onze ondersteuning kunnen invoeren. De verdeling van de scholen over de experimentgroep, de controlegroep en de groep afvallers is door middel van een officiële loting gemaakt en daarom volledig willekeurig.
Welke scholen nemen deel aan dit innovatieconcept? 
Kijk hier voor de lijst scholen die zijn toegelaten tot dit concept.
Zijn er controlescholen nodig voor dit innovatieconcept? 
Ja, er zijn controlescholen nodig voor dit concept. Alleen met controlescholen kunnen effecten van het experiment worden bepaald. Zie de vraag ‘Waarom zijn er controlescholen nodig?’ voor uitleg.
Waarom zijn er controlescholen nodig? 
Alleen met controlescholen kunnen effecten van het experiment worden bepaald. Zonder controlescholen weten we niet of ontwikkelingen in de arbeidsproductiviteit, onderwijskwaliteit en werkdruk (volledig) kunnen worden toegeschreven aan het innovatieconcept of (deels) het resultaat zijn van andere (autonome) ontwikkelingen. De controlescholen laten zien hoe die (autonome) ontwikkelingen zijn zonder de implementatie van het innovatieconcept.
Wat houdt het in om controleschool te zijn? 
Als een school slechts in een controlegroep komt, gaat zij over tot de orde van de dag. De school krijgt geen geld voor het uitvoeren van een innovatieconcept, en doet niet mee met de activiteiten die in het kader van de (door) ontwikkeling van het innovatieconcept georganiseerd worden. Zij krijgt wel € 10.000 als vergoeding voor medewerking aan het onderzoek.
Controlescholen gaan door op de weg waarop ze bezig waren. Ze mogen 'hun gang gaan', als ze maar niet exact het concept invoeren waarvoor ze controlegroep zijn (waarvoor ze zich dus hebben ingeschreven). Als ze al een innovatie uitvoeren (of uitgevoerd hebben) die wel erg op het concept lijkt, dan mogen ze hier gewoon mee doorgaan, dit geldt als 'business as usual'. Er mag alleen op het gebied van de betreffende innovatie niet worden samengewerkt tussen controlescholen en experimentscholen.
Wat houdt het in om experimentschool te zijn? 
Als een school is ingeloot in de experimentgroep, krijgt zij een subsidiebedrag om het betreffende concept gaan invoeren op (een deel van) de school. Dit doen de scholen in samenwerking met elkaar en met de penvoerder, met ondersteuning van SBO en Kennisland. Iedere experimentschool heeft het winnende innovatieconcept in een schoolspecifiek projectplan vertaald. Vanaf 1 januari 2011 is de school aan de slag om dit projectplan te implementeren. Gedurende de komende jaren zullen er effectmetingen worden gedaan. Meer informatie hierover krijgt iedere school van het onderzoeksbureau dat de effectmetingen zal uitvoeren.
Hoeveel subsidie wordt er uitgekeerd voor de implementatie van dit innovatieconcept? 
Iedere school uit de experimentgroep van dit concept krijgt een bedrag van € 60.320. Daarnaast krijgt iedere experimentschool een bedrag van € 9000 voor het maken van het projectplan.
Iedere school uit de controlegroep krijgt een bedrag van € 10.000.
Wanneer wordt het subsidiebedrag uitgekeerd? 
Uitkering van de subsidie vindt jaarlijks plaats in januari.
Hoeveel scholen nemen deel aan dit innovatieconcept? 
Op dit concept hebben zich 33 scholen ingeschreven. Na een berekening van de onderzoekers is het resultaat van de effectmeting optimaal als alle ingeschreven scholen worden het concept invoeren op hun school. Dit betekent echter dat de experimentscholen tevens als controleschool dienen. De methode die hiervoor gehanteerd wordt heet de ‘cross-over’ methode. Zie de vraag ‘Hoe werkt de ‘cross-over’ methode?’ voor uitleg over de cross-over methode.
Welke scholen nemen deel aan dit innovatieconcept? 
Kijk hier voor de lijst scholen die zijn toegelaten tot dit concept.
Zijn er controlescholen nodig voor dit innovatieconcept? 
Ja, er zijn controlescholen nodig voor dit concept. Alleen met controlescholen kunnen effecten van het experiment worden bepaald. Omdat dit concept niet schoolbreed wordt ingevoerd, is het mogelijk om de cross-over methode te hanteren. Dit houdt in dat de experimentschool tevens als controleschool dient.
Zie de vragen ‘Waarom zijn er controlescholen nodig?’ en ‘Hoe werkt de ‘cross-over’ methode?’ voor uitleg.
Waarom zijn er controlescholen nodig? 
Alleen met controlescholen kunnen effecten van het experiment worden bepaald. Zonder controlescholen weten we niet of ontwikkelingen in de arbeidsproductiviteit, onderwijskwaliteit en werkdruk (volledig) kunnen worden toegeschreven aan het innovatieconcept of (deels) het resultaat zijn van andere (autonome) ontwikkelingen. De controlescholen laten zien hoe die (autonome) ontwikkelingen zijn zonder de implementatie van het innovatieconcept.
Wat houdt het in om deel te nemen aan dit concept? 
Als een school aan dit concept deelneemt, ontvangt zij een subsidiebedrag om het betreffende concept gaan invoeren op een deel van de school. Dit doen de scholen in samenwerking met elkaar en met de penvoerder, met ondersteuning van SBO en Kennisland. Iedere experimentschool vheeft het winnende innovatieconcept in een schoolspecifiek projectplan vertaald. Vanaf 1 januari 2011 is de school aan de slag om dit plan daadwerkelijk uit te voeren.
Bij dit concept is iedere experimentschool tevens een controleschool. Dat wil zeggen dat iedere school het concept op een deel van de school invoert en op een ander deel niet. Het deel waarop de innovatie niet wordt ingevoerd kan hierdoor worden vergeleken met een school die de innovatie juist op dat deel heeft ingevoerd. Omdat iedere experimentschool tevens controleschool is, krijgt iedere school naast de subsidie ook het bedrag dat beschikbaar is voor de controlescholen; 10.000 euro. Gedurende de komende jaren zullen er effectmetingen worden gedaan. Meer informatie hierover krijgt iedere school van het onderzoeksbureau dat de effectmetingen zal uitvoeren.
Hoeveel subsidie wordt er uitgekeerd voor de implementatie van dit innovatieconcept? 
Iedere school uit de experimentgroep van dit concept krijgt een bedrag van € 83.013. Daarnaast krijgt iedere experimentschool een bedrag van 9000 euro voor het maken van het projectplan en ontvangt iedere school het bedrag van 10.000 euro voor het controlegroep-schap.
Wanneer wordt het subsidiebedrag uitgekeerd? 
Uitkering van de subsidie vindt jaarlijks plaats in januari.
Hoe werkt de 'cross-over' methode? 
Binnen de experimentgroep kan de effectmeting plaatsvinden, dus er is geen aparte controlegroep nodig. De (strenge) voorwaarde die hier wel aan is verbonden is dat de ene helft van de experimentgroep het concept toepast op een ander deel van de school (bv. Een vak) dan de andere helft. Op deze manier zijn de 2 helften elkaars controlegroep.
Dus bijvoorbeeld, de ene school maakt en gerbuikt instructiefilmpjes voor Engels Havo/VWO klas 1 en fungeert als contoleschool voor een andere school die instructiefilmpjes maakt en gebruikt voor VMBO 3 vak geschiedenis. Vooraf kunnen er samenwerkingsverbanden worden samengesteld. De verdeling van de vakken dienen de scholen onderling te bepalen.
Hoeveel scholen nemen deel aan dit innovatieconcept? 
Op dit concept hebben zich 32 scholen ingeschreven. Na een berekening van de onderzoekers is het resultaat van de effectmeting optimaal als alle ingeschreven scholen worden het concept invoeren op hun school. Dit betekent echter dat de experimentscholen tevens als controleschool dienen. De methode die hiervoor gehanteerd wordt heet de ‘cross-over’ methode. Zie de vraag ‘Hoe werkt de ‘cross-over’ methode?’ voor uitleg over de cross-over methode.
Welke scholen nemen deel aan dit innovatieconcept? 
Kijk hier voor de lijst scholen die zijn toegelaten tot dit concept.
Zijn er controlescholen nodig voor dit innovatieconcept? 
Ja, er zijn controlescholen nodig voor dit concept. Alleen met controlescholen kunnen effecten van het experiment worden bepaald. Omdat dit concept niet schoolbreed wordt ingevoerd, is het mogelijk om de cross-over methode te hanteren. Dit houdt in dat de experimentschool tevens als controleschool dient.
Zie de vragen ‘Waarom zijn er controlescholen nodig?’ en ‘Hoe werkt de ‘cross-over’ methode?’ voor uitleg.
Waarom zijn er controlescholen nodig? 
Alleen met controlescholen kunnen effecten van het experiment worden bepaald. Zonder controlescholen weten we niet of ontwikkelingen in de arbeidsproductiviteit, onderwijskwaliteit en werkdruk (volledig) kunnen worden toegeschreven aan het innovatieconcept of (deels) het resultaat zijn van andere (autonome) ontwikkelingen. De controlescholen laten zien hoe die (autonome) ontwikkelingen zijn zonder de implementatie van het innovatieconcept.
Wat houdt het in om deel te nemen aan dit concept? 
Als een school aan dit concept deelneemt, ontvangt zij een subsidiebedrag om het betreffende concept gaan invoeren op een deel van de school. Dit doen de scholen in samenwerking met elkaar en met de penvoerder, met ondersteuning van SBO en Kennisland. Iedere experimentschool vheeft het winnende innovatieconcept in een schoolspecifiek projectplan vertaald. Vanaf 1 januari 2011 is de school aan de slag om dit plan daadwerkelijk uit te voeren.
Bij dit concept is iedere experimentschool tevens een controleschool. Dat wil zeggen dat iedere school het concept op een deel van de school invoert en op een ander deel niet. Het deel waarop de innovatie niet wordt ingevoerd kan hierdoor worden vergeleken met een school die de innovatie juist op dat deel heeft ingevoerd. Omdat iedere experimentschool tevens controleschool is, krijgt iedere school naast de subsidie ook het bedrag dat beschikbaar is voor de controlescholen; 10.000 euro. Gedurende de komende jaren zullen er effectmetingen worden gedaan. Meer informatie hierover krijgt iedere school van het onderzoeksbureau dat de effectmetingen zal uitvoeren.
Hoeveel subsidie wordt er uitgekeerd voor de implementatie van dit innovatieconcept? 
Iedere school uit de experimentgroep van dit concept krijgt een bedrag van € 112.220. Daarnaast krijgt iedere experimentschool een bedrag van 9000 euro voor het maken van het projectplan en ontvangt iedere school het bedrag van 10.000 euro voor het controlegroep-schap.
Wanneer wordt het subsidiebedrag uitgekeerd? 
Uitkering van de subsidie vindt jaarlijks plaats in januari.
Hoe werkt de 'cross-over' methode? 
Binnen de experimentgroep kan de effectmeting plaatsvinden, dus er is geen aparte controlegroep nodig. De (strenge) voorwaarde die hier wel aan is verbonden is dat de ene helft van de experimentgroep het concept toepast op een ander deel van de school (bv. Een vak) dan de andere helft. Op deze manier zijn de 2 helften elkaars controlegroep.
Dus bijvoorbeeld, de ene school maakt en gerbuikt instructiefilmpjes voor Engels Havo/VWO klas 1 en fungeert als contoleschool voor een andere school die instructiefilmpjes maakt en gebruikt voor VMBO 3 vak geschiedenis. Vooraf kunnen er samenwerkingsverbanden worden samengesteld. De verdeling van de vakken dienen de scholen onderling te bepalen.
Hoeveel scholen nemen deel aan dit innovatieconcept? 
Op dit concept hebben zich 26 scholen ingeschreven.
Welke scholen nemen deel aan dit innovatieconcept? 
Kijk hier voor de lijst scholen die zijn toegelaten tot dit concept.
Zijn er controlescholen nodig voor dit innovatieconcept? 
Ja, er zijn controlescholen nodig voor dit concept. Alleen met controlescholen kunnen effecten van het experiment worden bepaald. Omdat dit concept niet schoolbreed wordt ingevoerd, is het mogelijk om de cross-over methode te hanteren. Dit houdt in dat de experimentschool tevens als controleschool dient.
Zie de vragen ‘Waarom zijn er controlescholen nodig?’ en ‘Hoe werkt de ‘cross-over’ methode?’ voor uitleg.
Waarom zijn er controlescholen nodig? 
Alleen met controlescholen kunnen effecten van het experiment worden bepaald. Zonder controlescholen weten we niet of ontwikkelingen in de arbeidsproductiviteit, onderwijskwaliteit en werkdruk (volledig) kunnen worden toegeschreven aan het innovatieconcept of (deels) het resultaat zijn van andere (autonome) ontwikkelingen. De controlescholen laten zien hoe die (autonome) ontwikkelingen zijn zonder de implementatie van het innovatieconcept.
Wat houdt het in om deel te nemen aan dit concept? 
Als een school aan dit concept deelneemt, ontvangt zij een subsidiebedrag om het betreffende concept gaan invoeren op een deel van de school. Dit doen de scholen in samenwerking met elkaar en met de penvoerder, met ondersteuning van SBO en Kennisland. Iedere experimentschool vheeft het winnende innovatieconcept in een schoolspecifiek projectplan vertaald. Vanaf 1 januari 2011 is de school aan de slag om dit plan daadwerkelijk uit te voeren.
Bij dit concept is iedere experimentschool tevens een controleschool. Dat wil zeggen dat iedere school het concept op een deel van de school invoert en op een ander deel niet. Het deel waarop de innovatie niet wordt ingevoerd kan hierdoor worden vergeleken met een school die de innovatie juist op dat deel heeft ingevoerd. Omdat iedere experimentschool tevens controleschool is, krijgt iedere school naast de subsidie ook het bedrag dat beschikbaar is voor de controlescholen; 10.000 euro. Gedurende de komende jaren zullen er effectmetingen worden gedaan. Meer informatie hierover krijgt iedere school van het onderzoeksbureau dat de effectmetingen zal uitvoeren.
Hoeveel subsidie wordt er uitgekeerd voor de implementatie van dit innovatieconcept? 
Iedere school uit de experimentgroep van dit concept krijgt een bedrag van € 123.000. Daarnaast heeft iedere experimentschool een bedrag van € 9000 ontvangen voor het maken van het projectplan en ontvangt iedere school het bedrag van € 10.000 voor het controlegroep-schap.
Wanneer wordt het subsidiebedrag uitgekeerd? 
Uitkering van de subsidie vindt jaarlijks plaats in januari.
Hoe werkt de 'cross-over' methode? 
Binnen de experimentgroep kan de effectmeting plaatsvinden, dus er is geen aparte controlegroep nodig. De (strenge) voorwaarde die hier wel aan is verbonden is dat de ene helft van de experimentgroep het concept toepast op een ander deel van de school (bv. Een vak) dan de andere helft. Op deze manier zijn de 2 helften elkaars controlegroep.
Dus bijvoorbeeld, de ene school maakt en gerbuikt instructiefilmpjes voor Engels Havo/VWO klas 1 en fungeert als contoleschool voor een andere school die instructiefilmpjes maakt en gebruikt voor VMBO 3 vak geschiedenis. Vooraf kunnen er samenwerkingsverbanden worden samengesteld. De verdeling van de vakken dienen de scholen onderling te bepalen.
Hoeveel scholen nemen deel aan dit innovatieconcept? 
Op dit concept hebben zich 19 scholen ingeschreven.
Welke scholen nemen deel aan dit innovatieconcept? 
Kijk hier voor de lijst scholen die zijn toegelaten tot dit concept.
Zijn er controlescholen nodig voor dit innovatieconcept? 
Ja, er zijn controlescholen nodig voor dit concept. Alleen met controlescholen kunnen effecten van het experiment worden bepaald. Omdat dit concept niet schoolbreed wordt ingevoerd, is het mogelijk om de cross-over methode te hanteren. Dit houdt in dat de experimentschool tevens als controleschool dient.
Zie de vragen ‘Waarom zijn er controlescholen nodig?’ en ‘Hoe werkt de ‘cross-over’ methode?’ voor uitleg.
Waarom zijn er controlescholen nodig? 
Alleen met controlescholen kunnen effecten van het experiment worden bepaald. Zonder controlescholen weten we niet of ontwikkelingen in de arbeidsproductiviteit, onderwijskwaliteit en werkdruk (volledig) kunnen worden toegeschreven aan het innovatieconcept of (deels) het resultaat zijn van andere (autonome) ontwikkelingen. De controlescholen laten zien hoe die (autonome) ontwikkelingen zijn zonder de implementatie van het innovatieconcept.
Wat houdt het in om deel te nemen aan dit concept? 
Als een school aan dit concept deelneemt, ontvangt zij een subsidiebedrag om het betreffende concept gaan invoeren op een deel van de school. Dit doen de scholen in samenwerking met elkaar en met de penvoerder, met ondersteuning van SBO en Kennisland. Iedere experimentschool vheeft het winnende innovatieconcept in een schoolspecifiek projectplan vertaald. Vanaf 1 januari 2011 is de school aan de slag om dit plan daadwerkelijk uit te voeren.
Bij dit concept is iedere experimentschool tevens een controleschool. Dat wil zeggen dat iedere school het concept op een deel van de school invoert en op een ander deel niet. Het deel waarop de innovatie niet wordt ingevoerd kan hierdoor worden vergeleken met een school die de innovatie juist op dat deel heeft ingevoerd. Omdat iedere experimentschool tevens controleschool is, krijgt iedere school naast de subsidie ook het bedrag dat beschikbaar is voor de controlescholen; 10.000 euro. Gedurende de komende jaren zullen er effectmetingen worden gedaan. Meer informatie hierover krijgt iedere school van het onderzoeksbureau dat de effectmetingen zal uitvoeren.
Hoeveel subsidie wordt er uitgekeerd voor de implementatie van dit innovatieconcept? 
Iedere school uit de experimentgroep van dit concept krijgt een bedrag van € 68.800. Daarnaast heeft iedere experimentschool een bedrag van € 9000 ontvangen voor het maken van het projectplan en ontvangt iedere school het bedrag van € 10.000 voor het controlegroep-schap.
Wanneer wordt het subsidiebedrag uitgekeerd? 
Uitkering van de subsidie vindt jaarlijks plaats in januari.
Hoe werkt de 'cross-over' methode? 
Binnen de experimentgroep kan de effectmeting plaatsvinden, dus er is geen aparte controlegroep nodig. De (strenge) voorwaarde die hier wel aan is verbonden is dat de ene helft van de experimentgroep het concept toepast op een ander deel van de school (bv. Een vak) dan de andere helft. Op deze manier zijn de 2 helften elkaars controlegroep.
Dus bijvoorbeeld, de ene school maakt en gerbuikt instructiefilmpjes voor Engels Havo/VWO klas 1 en fungeert als contoleschool voor een andere school die instructiefilmpjes maakt en gebruikt voor VMBO 3 vak geschiedenis. Vooraf kunnen er samenwerkingsverbanden worden samengesteld. De verdeling van de vakken dienen de scholen onderling te bepalen.

